voorarrest

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • voor·ar·rest
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord voorarrest voorarresten
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

voorarrest o [1]

  1. de periode dat een verdachte zijn vrijheid wordt ontnomen voordat de berechting plaatsvindt
    • Uiteindelijk werd de rapper veroordeeld tot twee maanden cel, waarvan alleen de tien dagen die hij al in voorarrest doorbracht onvoorwaardelijk.[2] 
    • In 2016 schortte de rechtbank het voorarrest van de verdachten onder voorwaarden voor onbepaalde tijd op. Twee van hen bleven vastzitten in verband met andere misdrijven.[3] 
Hyponiemen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[4]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. de Telegraaf 18 jan. 2018
  3. de Telegraaf 16 jan. 2018
  4.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be