voltooien

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • vol·tooi·en
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
voltooien
voltooide
voltooid
zwak -d volledig

Werkwoord

voltooien

  1. ten einde brengen
    • U heeft uw missie succesvol voltooid, proficiat! 
     Tot mijn verbazing wist ik deze zes weken durende tocht zonder noemenswaardige problemen te voltooien, waardoor ik voor het eerst echt begon te geloven dat mijn ‘American Dream’ wel eens in vervulling zou kunnen gaan.[3]
Verwante begrippen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[4]

Verwijzingen