vliegtuig

Een vliegtuig.

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • vlieg·tuig
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord vliegtuig vliegtuigen
verkleinwoord vliegtuigje vliegtuigjes

Zelfstandig naamwoord

vliegtuig o

  1. (verkeer) (luchtvaart) een vervoermiddel dat speciaal ontworpen is voor het reizen door de lucht
    • Reist u vaak per vliegtuig? 
     Als Duitsland toen had aangevallen met pantservoertuigen en vliegtuigen was het de grootste slachting uit de geschiedenis geworden.[3]
Synoniemen
Hyperoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.[4]

Meer informatie

Verwijzingen


Afrikaans

Zelfstandig naamwoord

vliegtuig

  1. vliegtuig