vistasje

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • vis·tas·je
Woordherkomst en -opbouw

Zelfstandig naamwoord

vistasje o

  1. verkleinwoord enkelvoud van het zelfstandig naamwoord vistas
    • Uit een hokje bij de woning van de heer J. D. Jorna, Nijlânsdyk 97c, zijn zondagmorgen twee hengels en een vistasje met inhoud gestolen. [1]

Gangbaarheid

Verwijzingen