verouderen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ver·ou·de·ren
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
verouderen
verouderde
verouderd
zwak -d volledig

Werkwoord

verouderen

  1. ergatief ouder worden
    • Die man is nu wel snel aan het verouderen. 
  2. ergatief uit de mode raken
    • Dit model is verouderd. 
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be