vergemakkelijken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ver·ge·mak·ke·lij·ken
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
vergemakkelijken
vergemakkelijkte
vergemakkelijkt
zwak -t volledig

Werkwoord

vergemakkelijken

  1. overgankelijk iets eenvoudiger of makkelijker maken
    • Het internet vergemakkelijkte de verspreiding van informatie. 
Vertalingen

Gangbaarheid

97 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be