verbond

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ver·bond
enkelvoud meervoud
naamwoord verbond verbonden
verkleinwoord verbondje verbondjes

Zelfstandig naamwoord

verbond o [1]

  1. een verdrag tussen staten, zakenpartners of individuen, omwille van een gemeenschappelijk voordeel
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
verbinden

verbond

  1. enkelvoud verleden tijd van verbinden
    • Ik verbond. 
    • Jij verbond. 
    • Hij, zij, het verbond. 

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[2]

Meer informatie

Verwijzingen