vaartje

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • [1] vaar·tje
  • [2] vaart·je

Zelfstandig naamwoord

vaartje o

  1. verkleinwoord enkelvoud van het zelfstandig naamwoord vaar

vaartje o

  1. verkleinwoord enkelvoud van het zelfstandig naamwoord vaart[3]

vaartje o

  1. verkleinwoord enkelvoud van het zelfstandig naamwoord vader

Gangbaarheid

90 % van de Nederlanders;
87 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be