triestig

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • tries·tig
Woordherkomst en -opbouw
  • afleiding van triest met het achtervoegsel -ig
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen triestig triestiger triestigst
verbogen triestige triestigere triestigste
partitief triestigs triestigers -

Bijvoeglijk naamwoord

triestig

  1. somber makend
  2. somber
    • Het triestige meisje moest huilen want haar hamster was overleden. 
Synoniemen
Antoniemen

Gangbaarheid

87 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be