Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • sul·len
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
sullen
sulde
gesuld
zwak -d volledig

Werkwoord

sullen

  1. overgankelijk (verouderd) voor de gek houden
  2. ergatief over ijs of sneeuw ergens heen glijden
    «Na de eerste middagtafel, [...], smakte de kok in ons midden alsof hij langs de trapleuning omlaag kwam gesuld.[1]»

Zelfstandig naamwoord

sullen mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord sul

Gangbaarheid

67 % van de Nederlanders;
77 % van de Vlamingen.[2]

Verwijzingen

  1. Jan de Hartog. Stella Mary Thalassa 1970
  2.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be