stukkend

Afrikaans

Uitspraak
stellend attributief
stukkend stukkende

Bijvoeglijk naamwoord

stukkend

  1. stuk, gebroken, kapot
    «Hy is met 'n klip in sy hand voor 'n stukkende vensterruit aangetref.»
    Hij is met een steen in zijn hand voor een kapotte vensterruit aangetroffen.