stoelpoot

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • stoel·poot
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord stoelpoot stoelpoten
verkleinwoord stoelpootje stoelpootjes

Zelfstandig naamwoord

stoelpoot m

  1. de poot van een stoel
    • Doordat toen hij ging zitten de stoelpoot brak, viel hij op de grond. 
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
96 % van de Vlamingen.[1]

Meer informatie

Verwijzingen

  1.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be