stingel

Afrikaans

enkelvoud meervoud
naamwoord stingel stingels

Zelfstandig naamwoord

stingel

  1. (plantkunde) stengel
    «Elke stingel moet aan die onderkant afgesny, die blare afgestroop en die bodeel verwyder word.»
    Iedere stengel moet aan de onderkant afgesneden worden, de bladeren ervan afgestroopt en de bovenkant verwijderd.