splitten

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • split·ten
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
splitten
splitte
gesplit
zwak -t volledig

Werkwoord

splitten

  1. overgankelijk splijten, splitsen, uiteendrijven
    • Dat splittende haar, daar erger ik me toch zo aan... 

Werkwoord

vervoeging van
splitten

splitten

  1. meervoud verleden tijd van splitten
    • Wij splitten. 
    • Jullie splitten. 
    • Zij splitten. 

Gangbaarheid

92 % van de Nederlanders;
97 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be