spinster

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • spin·ster
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord spinster spinsters
verkleinwoord spinstertje spinstertjes

Zelfstandig naamwoord

spinster v

  1. (beroep) de vrouwelijke spinner.

Gangbaarheid

90 % van de Nederlanders;
79 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be