Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • scout
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Engels, in de betekenis van ‘padvinder’ voor het eerst aangetroffen in 1912 [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord scout scouts
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

scout m

  1. algemene naam voor leden van de scouting
    • Bevers, welpen, scouts en exporers zijn allemaal scouts. 
  2. een speltak bij scouting waarvan de leden tussen de 11 en 16 jaar oud zijn.
  3. iemand die zoekt naar talentvolle kandidaten voor een functie
Synoniemen

Werkwoord

vervoeging van
scouten

scout

  1. enkelvoud tegenwoordige tijd van scouten
  2. gebiedende wijs van scouten

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
96 % van de Vlamingen.[2]

Meer informatie

Verwijzingen