schoolwerk

Nederlands

 
schoolwerk maken
Uitspraak
Woordafbreking
  • school·werk
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord schoolwerk
verkleinwoord schoolwerkje schoolwerkjes

Zelfstandig naamwoord

schoolwerk o [1]

  1. werk wat je thuis moet doen voor de school
    • Moeder: „Mijn zoon van negen en mijn dochter van dertien zijn onophoudelijk aan het kibbelen. Mijn dochter is flink aan het puberen, en vindt vaak dat ze het beter weet. Of het nu gaat om schoolwerk of het verzorgen van de katten; zij denkt altijd te weten hoe het moet en spreekt mijn zoon dan streng toe. Mijn zoon is ook niet op zijn mondje gevallen en gaat meteen in de verdediging. Dan is het een welles-nietes van jewelste. Met bijbehorend geschreeuw: ‘Mááám, hij doet weer irritant!’ ‘Ja, maar zij moet zich er niet mee bemoeien!’ Ze halen mij er altijd bij. Ik zeg weleens: ‘Roep nou eens pappa in plaats van mamma!’ [2] 
Synoniemen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[3]

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. NRC Annemiek Leclaire 24 november 2016
  3.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be