schlemielig

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • schle·mie·lig
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen schlemielig schlemieliger schlemieligst
verbogen schlemielige schlemieligere schlemieligste
partitief schlemieligs schlemieligers -

Bijvoeglijk naamwoord

schlemielig

  1. als van of door een schlemiel, krachteloos, haast meelijwekkend
    • En in de ochtendrand van de nacht, waarin traditioneel het afscheid van de minnenden plaatsvindt zoals de middeleeuwse troubadours al in hun dageraadsliederen bezingen, volgt een schlemielig scheiden van de geliefde. [1]

Bijwoord

schlemielig

  1. als van of door een schlemiel, krachteloos, haast meelijwekkend
    • Soms sneuvelden zij nogal schlemielig, bijvoorbeeld bij het sporten, soms léék het erop. [2]
Verwante begrippen

Gangbaarheid

86 % van de Nederlanders;
55 % van de Vlamingen.[3]

Verwijzingen