Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • rong
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord rong rongen
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

rong m/v

  1. (verkeer) een van rechtop staande staven die op een platte wagen dienen om de lading tegen te houden
    • Hij haalde een lantaarn uit de achterkeuken, goot hem boordevol raapolie en bond hem vast aan een rong aan de linkerkant van de wagen. [1]
Synoniemen
Afgeleide begrippen

Gangbaarheid

13 % van de Nederlanders;
10 % van de Vlamingen.[2]

Verwijzingen


Estisch

Zelfstandig naamwoord

rong

  1. trein