repareren

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • re·pa·re·ren
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
repareren
repareerde
gerepareerd
zwak -d volledig

Werkwoord

repareren

  1. overgankelijk iets weer in werkende staat brengen
    • Ik heb de kapotte auto gerepareerd. 
     Met een hoop handgebaren lukte het uiteindelijk om de manager van het bezoekerscentrum duidelijk te maken wat ik nodig had om mijn nepzonnebril te repareren.[3]
Synoniemen
Antoniemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.[4]

Verwijzingen