regenwoud

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • re·gen·woud
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord regenwoud regenwouden
verkleinwoord regenwoudje regenwoudjes

Zelfstandig naamwoord

regenwoud o

  1. (natuur) een bos in een klimaat met het hele jaar door neerslag
    • Een tropisch regenwoud. 
    • Regenwouden kennen een enorme soortenrijkdom van dieren en planten. 
     Het Amazoneregenwoud ligt in Zuid-Amerika. Het is gigantisch groot. Zo groot als de helft van Europa. Het regenwoud ligt verspreid over negen landen. Het grootste deel ligt in Brazilië. Het gebied is voor heel de wereld belangrijk. Want er leven veel bijzondere bomen, planten en dieren. Een deel van het gebied staat op de Werelderfgoedlijst.[1]
     Trouwens de schrijver houdt zich ook niet geheel aan zijn indeeling, zoo is b.v. de fraaiste afbeelding van een tropisch regenwoud afkomstig van den Gedeh en zeker op minstens 1000 M. hoogte genomen.[2]
Typische woordcombinaties
  • tropisch regenwoud
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[3]

Meer informatie

Verwijzingen

  1.   Weblink bron nieuwsbegrip.nl “Bosbranden in het Amazonegebied” (26-8-2019), CED-groep
  2.   Weblink bron Friedrich Went [bespreking] A.F.W. Schimper, Pflanzengeographie auf physiologischer Grundlage (01-01-1899) in: Tijdschrift van het Aardrijkskundig Genootschap, Stemler, Amsterdam, p. 191
  3.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be