• rand·de·biel
enkelvoud meervoud
naamwoord randdebiel randdebielen
verkleinwoord randdebieltje randdebieltjes

de randdebielm

  1. (scheldwoord) marginale imbeciel, gek, dwaas
    • Als je de fans van het Nederlandse elftal ziet, zou je denken dat je te maken hebt met een stel randdebielen terwijl er misschien zelfs een professor tussen zit.