rampplek

Nederlands

 
rampplek van treinongeval
Uitspraak
Woordafbreking
  • ramp·plek
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord rampplek rampplekken
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

rampplek v/m

  1. plaats waar een ramp is gebeurd
    • „Ons team is nog niet ter plekke. Veel wegen zijn geblokkeerd door de aardverschuiving”, zei een functionaris van de nationale reddingsdienst tegen Metro TV. Hij zei dat twee graafmachines proberen de rampplek te bereiken.[1] 
    • Het duurt vermoedelijk nog geruime tijd voordat alle lichamen zijn geborgen, zei een bron binnen de hulpdiensten. Helikopters kunnen naar verluidt niet landen op de rampplek. Daardoor moeten werkzaamheden te voet worden uitgevoerd. Het is nog onduidelijk waardoor het 24 jaar oude toestel crashte.[2] 
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
90 % van de Vlamingen.[3]

Verwijzingen

  1. de Telegraaf 22 feb. 2018
  2. de Telegraaf 20 feb. 2018
  3.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be