Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • put·rad
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord putrad putraderen
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

putrad o [1]

  1. katrol waarmee een emmer in en uit een put getakeld kan worden

Gangbaarheid

17 % van de Nederlanders;
20 % van de Vlamingen.[2]

Verwijzingen