positiviteit

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • po·si·ti·vi·teit
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord positiviteit positiviteiten
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

positiviteit v

  1. het positief, optimistisch en enthousiast zijn
     Hij was in bepaalde opzichten een jongere versie van mezelf. Zijn grote mond, iets te harde stem, irritante enthousiasme en overdreven positiviteit waren herkenbaar maar ook zijn ongepolijste bravoure, idealisme en romantische dromen om de wereld te verbeteren.[1]
     ,,Ik droom dat we allemaal gelukkig kunnen worden en gelukkig kunnen leven, iedereen met elkaar’’, begon Ricardo vanavond, gevraagd naar zijn toekomstdromen. De van origine Surinaamse man is de positiviteit zelve, terwijl hij veel heeft meegemaakt.[2]
  2. (natuurkunde) de mate waarin iets een positieve elektrische lading heeft
Antoniemen

Gangbaarheid


Verwijzingen

  1. Tim Voors “Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers  
  2.   Weblink bron Leon van Wijk “Hazes-cover van ex-verslaafde raakt André: ‘Je klinkt als hij’” (12 jun. 2020), Tubantia