poetsdoek

Nederlands

 
microvezel poetsdoekje
Uitspraak
Woordafbreking
  • poets·doek
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord poetsdoek poetsdoeken
verkleinwoord poetsdoekje poetsdoekjes

Zelfstandig naamwoord

poetsdoek m [1]

  1. een doekje waarmee je kunt schoonmaken
    • Opletten mensen, dondert de bedrijfsleider in de lunchpauze. Vieze en kapotte shirts sturen we niet naar Afrika. Daar maken we poetsdoeken van. Net zoals vale, verknipte en kapotte spijkerbroeken apart worden gehouden. Die worden ontdaan van knopen en ritsen en gerecycled tot pennen, dashboards van auto’s of in glaswol verwerkt als isolatiemateriaal. „Of we vervezelen ze tot een nieuwe spijkerbroek. Maar dat kan nog niet helemaal uit.” [2] 
Verwante begrippen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.[3]

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. NRC Wubby Luyendijk 25 september 2016
  3.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be