pausdom


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • paus·dom
Woordherkomst en -opbouw
  • afleiding van paus met het achtervoegsel -dom
enkelvoud meervoud
naamwoord pausdom
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

pausdom o [1]

  1. alles wat met de paus en de leiding van de rooms-katholieke kerk te maken heeft; het gezag van de paus
    • De paus ontving eerder de ring, die het pausdom symboliseert, en het wollen pallium (een soort stola). Het pallium verwezenlijkt zijn rol als herder van de 1,2 miljard zielen tellende katholieke kudde. [2] 
    • De toestand van Benedictus roept vragen op over de toekomst van het pausdom. De paus heeft immers ooit zelf gezegd dat een paus moet afreden als hij het werk niet meer kan doen. Het is een paus ook toegestaan om af te treden. Maar slechts een handvol heeft dit gedaan. De laatste was paus Gregorius XII in 1415. [3] 
    • 'The Vatican' speelt zich af in het heden en zal het verhaal van de interne politiek en machtsstrijd binnen de katholieke kerk vertellen. Net als paus Benedictus XVI is Sixtus VI van Duitse afkomst. Volgens de producenten is het personage 'een bescheiden en introspectieve conciërge van de kerk, die met zijn eigen erfenis worstelt en hoe de geschiedenis zal oordelen over zijn pausdom'. [4] 
Synoniemen

Gangbaarheid

86 % van de Nederlanders;
90 % van de Vlamingen.[5]

Verwijzingen