Nederlands

 
palrad
Uitspraak
Woordafbreking
  • pal·rad
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord palrad palraderen
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

palrad o [1]

  1. rad met een zaagtandvormige vertanding waar een pal terugloop verhindert terwijl de voortgang mogelijk blijft
Vertalingen

Gangbaarheid

17 % van de Nederlanders;
17 % van de Vlamingen.[2]

Verwijzingen