overboeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • over·boe·ken
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
overboeken
boekte over
overgeboekt
zwak -t volledig

Werkwoord

overboeken[1]

  1. overgankelijk naar een andere rekening overzetten
  2. overgankelijk meer dan eenmaal verhuren
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
96 % van de Vlamingen.[2]

Verwijzingen