Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • oud·oom
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord oudoom oudooms
verkleinwoord oudoompje oudoompjes

Zelfstandig naamwoord

oudoom m

  1. (familie) oom van een ouder, broer van een grootouder
    • Een oudoom van mij is frater in Kenia. 
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

93 % van de Nederlanders;
65 % van de Vlamingen.[1]

Meer informatie

Verwijzingen

  1.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be