oppeuzelen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • op·peu·ze·len
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
oppeuzelen
peuzelde op
opgepeuzeld
zwak -d volledig

Werkwoord

oppeuzelen

  1. overgankelijk met genoegen opeten
    • Alle nootjes werden in een ommezien door de eekhoorntjes opgepeuzeld. 
Vertalingen

Gangbaarheid

97 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be