opbeuring

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • op·beu·ring
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord opbeuring opbeuringen
verkleinwoord opbeurinkje opbeurinkjes

Zelfstandig naamwoord

opbeuring v

  1. troost, iets waarmee je iemand kracht en moed geeft na een teleurstelling
    • Het kind had een opbeuring nodig na het behalen van de onvoldoende. 

Gangbaarheid

85 % van de Nederlanders;
88 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be