• ont·stem·ming
enkelvoud meervoud
naamwoord ontstemming ontstemmingen
verkleinwoord

de ontstemmingv [1]

  1. het boos, kwaad, geërgerd zijn
     «Ik heb me dus niet vergist, dacht gravin Marja, waarom zou hij boos op me zijn?» In de toon waarop hij haar had geantwoord had gravin Marja ontstemming gehoord en de wens een einde aan het gesprek te maken.[2]
     De tijd tussen de aanval en het begin van de uitzending op Nederland 1 wekte ontstemming bij minister Opstelten van Veiligheid en Justitie. Hij gaat "In alle scherpte kijken" wat er moet gebeuren als de NOS niet kan uitzenden. De NOS moet immers kunnen optreden als rampenzender. “Een zender op zwart, dat kan niet en mag niet,” zei Opstelten.[3]
  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. “Oorlog en Vrede” (1869), van Oorschot, ISBN 978902825115 1
  3.   Weblink bron “Hoe NPO1 een uur 'op zwart' ging” (30-01-2015,), NOS