ontslaken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ont·sla·ken
Woordherkomst en -opbouw

Werkwoord

ontslaken

stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
ontslaken
ontslaakte
ontslaakt
zwak -t volledig
  1. losmaken, vrijlaten
  2. iets luid zeggen; een kreet slaken

Gangbaarheid

30 % van de Nederlanders;
31 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be