ontrouw

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • on·trouw
Woordherkomst en -opbouw
  • Afgeleid van trouw met het voorvoegsel on-
enkelvoud meervoud
naamwoord ontrouw -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

ontrouw m

  1. gedrag dat niet loyaal is
    • Zijn ontrouw kwam hem duur te staan. 
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen ontrouw ontrouwer ontrouwst
verbogen ontrouwe ontrouwere ontrouwste
partitief ontrouws ontrouwers -

Bijvoeglijk naamwoord

ontrouw

  1. gebrek aan loyaliteit vertonend
    • De ontrouwe soldaten werden gevangengenomen en voor de krijgsraad gesleept. 

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.[1]

Meer informatie

Verwijzingen

  1.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be