ontmengen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ont·men·gen
Woordherkomst en -opbouw

Werkwoord

ontmengen [1]

stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
ontmengen
ontmengde
ontmengd
zwak -d volledig
  1. uiteenvallen in de verschillende samenstellende delen
    •  
Synoniemen
Antoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

61 % van de Nederlanders;
66 % van de Vlamingen.[2]

Verwijzingen