onhandigheid


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • on·han·dig·heid
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord onhandigheid onhandigheden
verkleinwoord onhandigheidje onhandigheidjes

Zelfstandig naamwoord

onhandigheid v [1]

  1. de mate waarin iemand iets op een moeilijke, omslachtige, of gebrekkige manier doet
     Maar zijn verstrooidheid, zijn onhandigheid bij het binnenkomen van een salon en het converseren werden goedgemaakt door zijn goedhartige, eenvoudige en bescheiden voorkomen.[2]
     Maar de waardering voor zijn inzet kelderde vervolgens ook weer, vooral door zijn sociale onhandigheid. Zo sprak hij na een voor Nederlandse begrippen forse aardbeving in het voorjaar van 2019 over "een bevinkje". Dat werd hem tot in Den Haag zeer kwalijk genomen. Ook premier Rutte was not amused. Een verspreking moet kunnen, zei de VVD-leider. "Maar deze was echt wel heel ongelukkig." Wiebes maakte excuses voor de pijnlijke uitglijder.[3]
  2. iets wat moeilijk, omslachtig of gebrekkig gebeurt
Synoniemen

Gangbaarheid


Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. Leo Tolstoj   “Oorlog en Vrede” (1869), G.A. van Oorschot  , ISBN 9789028251151
  3.   Weblink bron “Wiebes was dol op de Belastingdienst, die hem uiteindelijk de kop kostte” (15-01-2021), NOS