omzomen

Nederlands

Uitspraak

(klemtoonhomogram)

Woordafbreking
  • om·zo·men
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
omzomen
omzoomde
omzoomd
zwak -d volledig

Werkwoord

omzómen

  1. overgankelijk iets omgeven als ware het een zoom
    • Prachtige bomen omzoomden het fraaie grasveld. 
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
omzomen
zoomde om
omgezoomd
zwak -d volledig

Werkwoord

ómzomen

  1. (kleding) van een andere zoom voorzien

Gangbaarheid

93 % van de Nederlanders;
86 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be