nuttiger

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • nut·ti·ger

Niet in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Taalunie als zelfstandig naamwoord

Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord nuttiger nuttigers
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

nuttiger

  1. iemand die (iets) nuttigt
    • Jammer dat de elite nooit wordt aangehouden, terwijl deze groep de grootste nuttigers van alcohol zijn in Marokko. [1] 

Bijvoeglijk naamwoord

nuttiger

  1. onverbogen vorm van de vergrotende trap van nuttig

Gangbaarheid

Verwijzingen