naspeuren

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • na·speu·ren
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
naspeuren
speurde na
nagespeurd
zwak -d volledig

Werkwoord

naspeuren

  1. overgankelijk nauwkeurig onderzoeken
Vertalingen

Gangbaarheid

96 % van de Nederlanders;
89 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be