nachtschade

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • nacht·scha·de
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord nachtschade nachtschaden
nachtschades
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

nachtschade v/m

  1. (plantkunde) plantengeslacht uit de nachtschadefamilie met veelal kruidachtige, klimmende planten
Synoniemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

90 % van de Nederlanders;
92 % van de Vlamingen.[3]

Meer informatie

Verwijzingen