morgenvroeg

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • mor·gen·vroeg
Woordherkomst en -opbouw

Bijwoord

morgenvroeg

  1. in de eerste uren van de dag volgend op vandaag
    • Hij gaat morgenvroeg naar een conferentie. 

Gangbaarheid

95 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be