Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • mo·raal
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘heersende zeden, zedenleer’ voor het eerst aangetroffen in 1528 [1]
  • Ontleend aan het Franse morale (moraliteit, ethiek, zedenles)
enkelvoud meervoud
naamwoord moraal moralen
verkleinwoord moraaltje moraaltjes

Zelfstandig naamwoord

moraal v/m

  1. waarden en normen, wat men denkt over goed en slecht
    • Wat is de moraal van een bank die een salarisverhoging voor de top verdedigt die in de miljoenen loopt en tegelijk de meest kwetsbare werknemers iedere zekerheid wil onthouden? [2] 
     Het is natuurlijk een zonde om op kerstavond te applaudisseren, gelukkig dat ik niet de moraal van mijn grootmoeder heb geërfd.[3]
     Eerst komt het vreten, dan de moraal.[4]
Verwante begrippen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[5]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. "moraal" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
  2. www.nu.nl
  3. Jan Guillou (vert. Bart Kraamer) “Tussen rood en zwart” (2014), Uitgeverij Prometheus, ISBN 9789044625691
  4. Jan Guillou (vert. Bart Kraamer) “Kop in het zand” (2015), Uitgeverij Prometheus, ISBN 9789044628142
  5.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be