Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • me·nie
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘rode verfstof’ voor het eerst aangetroffen in 1378 [1] [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord menie -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

menie v / m [3]

  1. (scheikunde) een oranjekleurige anorganische verbinding van lood en zuurstof met als brutoformule Pb3O4 die gebruikt wordt als roestwerende grondverf
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
meniën

menie

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van meniën
    • Ik menie. 
  2. gebiedende wijs van meniën
    • Menie! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van meniën
    • Menie je? 

Gangbaarheid

70 % van de Nederlanders;
34 % van de Vlamingen.[4]

Meer informatie

Verwijzingen