lichaamsdeel

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • li·chaams·deel
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord lichaamsdeel lichaamsdelen
verkleinwoord lichaamsdeeltje lichaamsdeeltjes

Zelfstandig naamwoord

lichaamsdeel o

  1. onderdeel van een lichaam
    • Een arm is een voorbeeld van een lichaamsdeel. 
Hyponiemen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[1]

Meer informatie

Verwijzingen

  1.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be