lesvlucht


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • les·vlucht
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord lesvlucht lesvluchten
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

lesvlucht v/m

  1. een trip in een vliegtuig als onderdeel van de opleiding tot vliegenier
     KLM heeft jarenlang studenten van haar vliegschool in gevaar gebracht door hen tijdens lesvluchten boven bergachtig terrein veel te laag te laten vliegen. Dat blijkt uit stukken die in het bezit zijn van Het Parool.[1]
     Het ging om een lesvliegtuigje van Stella Aviation met een piloot en een instructeur. Tijdens een lesvlucht maakte het viegtuigje op vliegveld Budel een landingsoefening, maar kwam daarbij nogal hard op de grond terecht.[2]
Vertalingen

Gangbaarheid

78 % van de Nederlanders;
56 % van de Vlamingen.[3]

Verwijzingen

  1.   Weblink bron “KLM-vliegschool bracht jarenlang studenten in gevaar” (15 sep. 2014), De Telegraaf
  2.   Weblink bron “Vliegtuigje crasht op vliegveld Maastricht” (24-05-2010), Reformatorisch Dagblad
  3.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be