• lek·ker·koek
enkelvoud meervoud
naamwoord lekkerkoek lekkerkoeken
verkleinwoord - -

de lekkerkoekm

  1. (kookkunst) bepaald soort peperkoek, gemaakt van roggemeel, suiker en specerijen
     Hij riep de dikke waardin bij zich, klapte haar schertsend op de kloeke heup, bestelde een fles witte wijn met lekkerkoek, juichend dat hij heden afscheid nam van 't jonkmansleven.[3]
  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. lekkerkoek op website: Etymologiebank.nl
  3.   Weblink bron De gelukkige tijding in:
    Cyriel Buysse (eds. A. van Elslander en Anne Marie Musschoot)
    Verzameld werk. Deel 4 (1977), Manteau, Brussel, ISBN 9022304558, p. 345