leewater


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • lee·wa·ter
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord leewater
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

leewater o [1]

  1. ophoping van vocht in een ziek of beschadigd gewricht; hydrops
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

24 % van de Nederlanders;
20 % van de Vlamingen.[2]

Verwijzingen