Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • lam·mig
Woordherkomst en -opbouw
  • afleiding van lam met het achtervoegsel -ig
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen lammig lammiger lammigst
verbogen lammige lammigere lammigste
partitief lammigs lammigers -

Bijvoeglijk naamwoord

lammig [1]

  1. slaperig, lamlendig, zat, futloos
     Ik vind het een dilemma. Want als moeder zou ik het liefste willen dat mijn kinderen pas ver na hun 18e verjaardag alcohol drinken. En zelf geef ik dit voorbeeld. En ondanks dat ik ook altijd stop voordat ik lammig word, want naast dat ik aangeschoten vrouwen niet leuk vind, ik er niet ‘naast’ wil praten en geen zin in een kater heb, blijft het een feit dat ik best veel wijn drink en daar nul komma nul problemen mee heb.[2]
     Er zijn van die dingen met precies de goede verhoudingen zout, suiker en vet, die zo verslavend lekker zijn dat je ogen er een beetje lammig van naar achteren rollen, alsof je een straatkind bent dat net een snuif lijm heeft genomen.[3]

Gangbaarheid

39 % van de Nederlanders;
40 % van de Vlamingen.[4]

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2.   Weblink bron “Volgens de norm ben ik een drankorgel” (06 jan. 2016), De Telegraaf
  3.   Weblink bron Joep Schoo “Smulpaap gezocht” (20 mei 2014), Het Parool
  4.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be