klateren

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • kla·te·ren
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘helder klinken’ voor het eerst aangetroffen in 1351 [1]
  • [2]
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
klateren
klaterde
geklaterd
zwak -d volledig

Werkwoord

kláteren [3] [4]

  1. onovergankelijk snel op elkaar volgende, heldere geluiden voortbrengen
Verwante begrippen
Afgeleide begrippen
Vertalingen
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
klateren
klateerde
geklateerd
zwak -d volledig

Werkwoord

klatéren [5]

  1. onovergankelijk afschaven, afschilferen
Afgeleide begrippen

Gangbaarheid

93 % van de Nederlanders;
83 % van de Vlamingen.[6]

Verwijzingen